vrijdag 25 januari 2013

Oeverloos

De hemel staart en ik staar terug. Ik lig hier languit op mijn rug. En al mijn hoop is ijdelheid, het is het laken van mijn tijd. De mezen vliegen af en aan, zij hebben geen vermoeden van het bestaan. Daarmee is nog niet gezegd dat geen enkele mees ooit zijn grens heeft verlegd. Maar dit, vast gewoonweg gedaan zonder hier ooit nog bij stil te staan, is toch een grootsheid en een talent waarvan ik slechts kan dromen. Mocht het mij nog overkomen dat ik groots kan zijn in mijn onbenullig bestaan, laat ik dan slechts buigen en er vooral niet vooropstaan. Veronderstel dat als ik plotseling verdwijn de aarde nog steeds haar zelfde ronde doet, de hemel ook dan niet van haar zijde wijkt, en sterren en planeten doorgaan met hun kosmische tango, er niemand is om te applaudiseren en het gedaan is met het oeverloos proberen. Altijd maar weer boven mezelf uit willen stijgen als een mees die tenslotte toch nog de laatste pinda van zijn omhulsel weet te ontdoen. En dan wegvliegt zonder om te kijken. Ach, wat ben ik toch een oen.