maandag 29 augustus 2011

Kakkies

Kinderen hebben geen voetjes maar kakkies. En als die voetjes klam en zweterig aanvoelen noem je het zweetkakkies. Voor mij is deze aanduiding voor voet de normaalste zaak van de wereld. 'Haal jij die kakken eens van de bank' of 'wat een lekkere blote kakkies' (als het een babietje betreft), is in mijn gezin heel normaal taalgebruik. Ik had me eigenlijk nooit gerealiseerd dat er mensen zijn die nog nooit van dit woord hebben gehoord. Gek eigenlijk hoe dit woord bij mijn familie hoort. Het is een grappig maar ook een ondeugend woord. Ik gebruik het bijvoorbeeld als ik met mijn kinderen speel. Als ik met ze stoei en ze plaag dat ik hun kakkies ga opeten. 'Bah, wat een vieze zweetvoeten heb jij' of 'Oh, wat een vieze zweetkakkies' maakt denkt ik een wereld van verschil. Om het laatste moeten we altijd heel hard lachen waardoor de eigenaar van die zweetvoeten zich ineens heel bijzonder voelt. Vandaag vroeg ik me ineens af waar dit eigenaardige woord vandaan komt. En hoe komt dit in mijn familie? Via google kom ik er snel achter dat het een leenwoord uit het Maleis is. Grappig! Er zijn wel meer van zulke woorden in mijn familie. Ik denk dat ik mijn moeder maar eens ga vragen hoe het met haar blote kakkies gaat.

vrijdag 26 augustus 2011

Er was eens een grijze muis

Een grijze muis stond eens voor het altaar met aan haar zijde een grote bloeddorstige leeuw. Hoewel zij bang was dat hij haar in haar huwelijksnacht met huid en haar zou verslinden zei ze blijmoedig ‘Ja’. Het huwelijksfeest duurde te kort naar haar zin en de vele gasten bleven weg uit angst voor de vreselijke brul van de leeuw. Zodoende kwam er aan haar prille geluk al snel een einde, toen het monster haar naar hun bruidssuite maande, en haar daar met een ferme zwaai van zijn poot buiten westen sloeg. Trillend van wanhoop kwam de muis bij en zag tot haar grote verbazing dat zij nog in leven was. De leeuw zat verveeld in een hoekje en rookte een zware pijp.
‘Waarom ren je niet weg?’ vroeg de leeuw terwijl hij kringen van rook de lucht in blies.
‘Ben ik dan niet afzichtelijk en gevaarlijk? Ren voor je leven!’ sprak hij nu vol dreiging terwijl hij de pijp met tabak in de lucht hield.
‘Ik durf niet te vluchten’, piepte het muisje.
‘Dan is het geluk nog even aan je zijde’ sprak de leeuw op samenzweerderige toon en nam nog een trek van zijn pijp.
De grijze muis die inmiddels begreep dat dit verhaal hoe dan ook slecht voor haar zou aflopen, wenste dat zij nooit in deze val was gelopen. Een hele diepe zucht ontsnapte aan haar keel en het was deze zucht die haar op een idee bracht.
‘Vluchten, daarvoor ben ik niet dapper genoeg, maar voordat ik sterf zou ik je eenmaal recht in de ogen willen kijken. Daarna mag je doen met mij wat je maar wenst. Ik accepteer mijn noodlot’ zei de muis rustig en bedeesd.
De leeuw knipperde eenmaal met zijn ogen maar leek haar voorstel tenslotte goed te keuren.
‘Jij bent anders best een dappere muis mijn vrouw’, fleemde de leeuw met een hongerige blik in zijn ogen. Hij stak zijn ene poot naar de muis uit terwijl hij een stevige trek nam van zijn pijp met zijn andere poot. De muis hipte op de palm van de gevaarlijke klauw en werd in een sierlijke handomdraai voor de ogen van de bloeddorstige leeuw gebracht. De zware geur van tabak en de slierten rook bedwelmde bijna de nerveuze muis. Snel ademde zij een flinke hap lucht in en blies toen met al haar kracht naar het kleine vuur in de pijp die de leeuw nog steeds in zijn grote bek hield. Op dat moment wakkerde er een enorme wind aan in de kamer, het kleine vuur in de pijp werd verder opgestookt en nog voor de leeuw kon reageren vatten zijn dikke en droge manen vlam. De muis blies en blies met al haar levenskracht en de wind kwam ineens van alle kanten en groeide uit tot een orkaan. Weldra stond de leeuw in vuur en vlam en ditmaal letterlijk. De leeuw brulde zijn bloeddorstige brul en de muis wist nog net voordat de zware klauw zich sloot uit de voeten te maken. De wind gaf het dappere muisje vleugels en zij vloog door het sleutelgat de kamer uit. De leeuw slaakte een laatste kreet en viel toen ten aarde. Wat men uiteindelijk nog vond in de kamer was een hoopje as en een pijpje tabak. Het grijze muisje vloog rechtstreeks naar huis, sloot zichzelf op in haar holletje en durfde de rest van haar leven geen stap meer te verzetten boven de grond.
Maar misschien eindigde het wel anders en trouwde ze met een ander grijze muis en leefde ze nog lang en gelukkig.

Welkom thuis

Vandaag keer ik terug. Terug naar huis. Ik heb hier lang genoeg geluierd, gekeken, geluisterd naar de stemmen in de nacht, getwijfeld, bedachtzaam om me heen gekeken, me verstopt, weggekropen voor de man met de zeis, en mijn adem ingehouden om mezelf niet te verraden. Genoeg eenzame nachten en genoeg spelletjes gespeeld. Mijn ziel roept. Het zijn noodkreten geworden. Een sirene waarvan het geluid door je botten klinkt, je haren rechtovereind gaan staan en je pupillen groter worden. De noodklok luidt. Maar ik kijk niet meer achterom. Alles is eigenlijk precies verlopen volgens plan. Al mijn zuchten, al het dwalen, al mijn lopen in cirkels, in bochten wringen en het langzaam wegkwijnen, al dit is gebeurt maar niet zonder reden. Het huis waarnaar ik terugkeer is gegroeid en mooier geworden. Met een tuin met wilde bloemen, en gras en fruitbomen en plekken waar je even kunt zitten om te luisteren naar het gekrakeel van de merels, het zuchten van de wind en het slaan van de golven. De zee ligt binnen handbereik en je kunt er de zon iedere dag zien ondergaan. Het huis leeft! Ja, het huis leeft en ademt het leven in iedere hoek en in iedere kier van de vele kamers die het rijk is. Alle ramen staan wijdopen zodat de geesten van de nacht stil weg kunnen glippen naar buiten. Zonder tromgeroffel en zonder ook nog maar een spoor achter te laten. De zeeuil hoeft niet met zijn snavel te pikken tegen gesloten ruiten maar kan naar believen binnen komen. En iedere morgen sla ik dan op de grote trommel en vul mijn longen met lucht en met het leven.
Het huis lacht, danst, baart, huilt van geluk en snort als een tevreden poes op de schoot van de oude vrouw voor de open haard. Kinderen spelen er verstoppertje en blindemannetje, voelen zich veilig en begrenst in dit prachtige witte huis vol leven.
En voortaan zal ik niet meer schrijven over mijn huis, maar het aantrekken als een behaaglijke jas om het te dragen totdat ik weet dat het tijd is. Want er komt altijd weer een dag dat ik terug moet naar het bos. Het donkere bos met zijn vele kuilen, en rotsen, onheilspellende bronnen, wilde dieren en takken die de pas afsnijden. Maar ook dan kan ik turen tussen de bomen en daar in de verte de witte muren nog zien. Het zonlicht dat niet altijd zichtbaar is maar toch altijd schijnt voor degene die zijn hoofd opricht naar de hemel.
Ik ga en ik weet dat ik altijd weer welkom ben.
Welkom thuis.