dinsdag 9 maart 2010

Pieperdepiep

Ik heb het koud.
Het voelt als een soort kou die van binnenuit komt. Ik kan me er niet op kleden lijkt wel. Mijn hart en mijn longen zijn koud, mijn handen en mijn voeten ook. Ijskoud.
Bakken warme thee heb ik al gedronken, maar de kou blijft zitten waar hij zit. En ik wil niet klagen hoor. Niet over het weer binnen en niet over het weer buiten.
Maar ik heb het koud.

Denken aan warme dingen.
Ik stel me voor dat de kou heel langzaam mijn lichaam verlaat. Kou maakt plaats voor warmte. Ik ben een lichtwezen. Licht vult de leegtes in mijn hart en mijn longen. Ik ben een tropisch eiland. Ik straal van de liefde en de warmte in en om mij heen.

'Mam, zullen we een liedje zingen?'
Mijn zoon haalt me uit mijn concentratie. Hij stopt iets in mijn handen en schenkt me zijn breedste glimlach. Ik staar naar het speelgoedje in mijn handen.
STOP staat er op een verkeersbord.
'Zullen we lang zal hij leven in de gloria zingen?', vraagt hij en huppelt vrolijk door de kamer. Hij heeft ook een verkeersbord met STOP in zijn handen. Zijn vrolijkheid werkt aanstekelijk. Ik twijfel geen moment en maak met hem een rondedansje door de kamer.
'Pieperdepiep, hoeja!', schalt zijn jongensstem door de kamer.
'Pieperdepiep, hoeja!', roep ik er lachend achteraan.

Ik heb het weer warm.
Lang zal hij leve in de gloria.