donderdag 11 februari 2010

De sleutel naar geluk

Op een mooie zomerdag, de zon straalde aan de hemel, sloop ik ‘s morgensvroeg het huis uit. Ik liep naar de buren verderop en trok aan het touwtje dat uit de brievenbus hing.
In die tijd is het een tijdje gewoon geweest om een touwtje uit de brievenbus te hangen. Als je aan dat touwtje trok, ging de deur vanzelf open. Zo konden de buurtkinderen ongevraagd bij je naar binnen lopen. Ook de inbrekers moeten zich met ‘welkom’ op de deurmat thuis hebben gevoeld. Niet uit iedere brievenbus hing overigens een touwtje. Bij een vriendinnetje een paar huizen verder bijvoorbeeld niet. Maar zij behoorde tot de categorie sleutelkinderen. Zij had dus een touwtje om haar nek.
Ik vond het altijd ontzettend spannend om bij haar thuis te komen. Zij mocht ook veel van haar ouders, maar misschien is dat omdat die weinig thuis waren. Ik heb bij haar heel vaak pannenkoeken en zelfgebakken koekjes gegeten. Met grote ogen stond ik te kijken hoe ze een beslag maakte. Vette pannenkoeken op je nuchtere maag. Ik vond ze heerlijk.
Ze had ook een zus. Die kwam er een keer bij staan, bij het koekjes bakken.
‘Geloof jij in God?’, vroeg zij.
‘Ik weet het niet’, zei ik.
‘Wat is God’, vroeg ik.
‘God is iemand die de touwtjes in handen heeft’, zei zij weer.
Dat is mijn moeder, dacht ik.
‘Iedereen heeft onzichtbare touwtjes aan zich hangen en God zit in de hemel die touwtjes te besturen’, ging zij verder.
Ondertussen brak zij een stuk van mijn zelfgemaakte koekje af en stak die in haar mond. Ik vond dit heel wreed van God.

(Uit: De sleutel naar geluk)